Geschiedenis

Naam Grashoek
Algemeen
Kolenmijnen in Grashoek?
1944 Landmijnen

Mathieu Smedts
RK Kerk Heilig Hart van Jezus

De naam Grashoek

Het dorp heeft zijn naam te danken aan de weilanden gelegen in het noorden van het huidige Grashoek, dat is vrijwel zeker. 
Het verhaal gaat dat de naam te danken is aan het graasland voor de trekpaarden van de maatschappij Helenaveen die door de peelpioniers, vergeleken met de overige ruwe Peelgebieden, " de grashoek" of " de graashoek" werd genoemd. Dit graasland was gelegen op Limburgs grondgebied aan de zuidzijde van de Helenavaart, in het noorden van het huidige Grashoek.
Echter, de naam Grashoek voor dit gebied werd al gebruikt vóórdat in 1853 Helenaveen werd gesticht. Op de kadastrale kaart van 1820 (J.L. Reijnders) wordt al een gebied, globaal op dezelfde plaats gelegen,"den Gras hoek" genoemd (klik op de deelkaart hieronder). Ook op de Tranchotkaart uit 1814 (kaartnummer 31) werd Grashoek al genoemd.
            
(Klik op de kaart voor een vergroting)
1820:

Terug naar index

De vroege geschiedenis

D
e geschiedenis van de huidige parochie Grashoek gaat terug tot het jaar 1402.
In dat jaar kreeg de leenman van het hof te Groot Mares, een burger uit Roermond, van hertog Reinoud van Gelder 8,5 morgen grond ter beschikking. Dat is ongeveer 7,5 hectare in Gelderse maten. Op het onderstaande kaartje kunt het gebied, dat al van oudsher Maris heet, makkelijk terugvinden. Nu nog is er een Marisstraat, Marisveldweg en Marisbaan te vinden in Grashoek. Op de plaats van de eerste ontginningen aan de Marisstraat staat een infobordje. Uit het kaartje uit 1895 (hieronder) blijken ook duidelijk de ontginningen rondom het gebied Maris en, in het noorden, het gebied dat later naamgever voor het dorp zou worden. Rond die tijd waren er naast de Maris gehuchten genoeg: Scherliet, Houwenberg, Vliegert, De Spiesberg (of Spitsbergen), De Hei, De Kwakvors, de Belgenhoek (Belzenhoek) en de Hoeve. Op de hei woonden mensen in plaggenhutten, maar al in 1843 stonden er enkele huizen in wat later de dorpskern Grashoek werd. Maar ook halverwege de Lorbaan tussen Beringe en Sevenum nog een zestal. Overigens is de Lorbaan één van de oudste doorgaande wegen in dit gebied, onderdeel van een belangrijke handelsroute. 

                          
  (Klik op de kaart voor een vergroting)

Omstreeks 1900 bestond het grondgebied van het latere Grashoek uit hei, bossen en moerassen. Ook waren er wat weilanden die dienden als hooiland voor de maatschappij Helenaveen. 

Op het kaartje hierboven zag u al de ontginningen en vestigingen van boerderijen in het noorden van Grashoek. De eerste bewoners, hoewel officieel burger van de Limburgse Gemeente Helden stuurden hun kinderen in het Brabantse Helenaveen naar school. Op aandrang van een aantal mensen van het buurtschap de Vliegert, maar vooral ook van de gemeente Deurne (die van de gemeente Helden financiële compensatie wenste voor alle Grashoekse kinderen op de Helenaveense school) werd op 30 december 1912 in Grashoek een eigen lagere school gesticht. De eerste steen van de nieuwe school werd anderhalf jaar later, op 16 juni 1914, gelegd door burgemeester J.W.J. Janssen van de gemeente Helden.

Kolenmijnen in Grashoek?
In het begin van de vorige eeuw zijn er in Grashoek en de directe omgeving proefboringen geweest om vast te stellen of er ontginbare steenkool in de grond zat. Na eerst in 1906 in Helenaveen met succes steenkool is gevonden is, na meerdere boringen in de regio ook op de Maris, in Grashoek, in augustus 1913 met het boorwerk begonnen. Op 6 februari 1914 raakte op een diepte van 673 meter. het boortuig vastgeklemd en moesten er gedurende lange tijd, tot eind maart 1914, herstelwerkzaamheden verricht worden. Pas toen was het achtergebleven materieel, waardonder een diamantboor, weer geheel uit het boorgat verwijderd. 
[bron: De Moennik 27, door Peter Jacobs en  http://www.theelen.info/[20080325] proefboringen te Helenaveen.htm

 

De boortoren op de Maris in Grashoek

De tekst op het paneel rechtsvoor op de foto luidt:

Gluck auf
Diepste boring in Nederland
Maris, gemeente Helden 24 sept 1914
Einddiepte 1418,10 m

Rijksopsporing van delfstoffen

(klik op de foto voor een vergroting)

In 1918 werd in Grashoek de Roomsch Katholieke Parochie met een bijbehorende kerk gesticht. 
Hoewel er natuurlijk al eerder inwoners waren en al meerdere buurtschappen wordt dit jaar gezien als officieel stichtingsjaar van Grashoek. Dit was namelijk dit de eerste keer dat de eerdergenoemde buurtschappen als gezamenlijk afgebakend (parochie)gebied, de naam "Grashoek" kregen.
Voor meer info over de kerk: Klik hier

De bloei van Grashoek als dorp is voor een belangrijk deel te danken aan Pastoor Kengen. Hij pachtte 60 ha grond gaf deze weer uit aan ontginningsboeren. Pionier Hein Gielen liet boerderijtjes, een winkel en een café bouwen en maakte in Holland reclame voor de goedkope grond die o.a. geschikt zou zijn voor de bloembollenteelt. Hierdoor vestigde zich diverse mensen uit de Haarlemmermeer en omgeving in Grashoek, waaronder Johannes (Jan) Spruijt, waar de latere Johan Spruijtstraat naar vernoemd is. De bollenteelt bleek géén succes op onze grond. Later werd de ontginning overgenomen door mensen van eigen streek die een beter resultaat konden bereiken. Bollenteelt is hier nooit goed van de grond gekomen...

Door verdere ontginningen van de heidegebieden ontstonden zo uitgebreide land- en tuinbouwgronden. 
Grashoek heeft na de oorlog jaren bekend gestaan om zijn pluimveesector. Op het ogenblik liggen er veel kassen en veehouderijen en richten steeds meer bedrijven zich op de recreatieve markt. Een steeds groot deel van haar inwoners is forens. 
In 2008 heeft Grashoek bijna 1.700 inwoners.

Het jaar 1918 wordt gezien als het officiële stichtingsjaar van Grashoek, dus in 2018 vieren we ons 100-jarig bestaan. 

Grashoek is uitgegroeid tot een typisch jong dorp met een geheel eigen karakter.

Terug naar index

1944.

Het mijnendrama in Marisbergen te Grashoek


Tekst: Huub Kluijtmans, Grashoek. Onderdeel van de website van André Vervuurt

September 1944
In Noord-Limburg worden de laatste Duitse verzetshaarden gebroken en zo de een na de andere plaats bevrijd. Helemaal gladjes verliepen deze bevrijdingsacties natuurlijk niet, want sinds september was in deze contreien van het front weinig beweging mede door het moeilijk te nemen peelgebied wat voor de geallieerde troepen een lastige hindernis was.
Zo kwam dan voor Grashoek op 18 november 1944 een einde aan de 5 jarige bezetting.
Soldaten van de 15de divisie infanterie bestaande uit Schotten verdreven de laatste Duitsers van de 7de divisie Fallschirmjäger welke hier al maanden stand hielden en in de bossen van de Marisbergen, westelijk van Grashoek, artillerie duels uitvochten met de Engelsen die tussen de kanalen van Meijel en Neerkant waren ingegraven. Tijdens dit terugtrekken werden een van de gemeenste van alle wapens ingezet nl. de voetmijn. De mijnen werden op het kruispunt en omgeving van de weg tussen Ontginningsweg en Helenaveenseweg bij begin Belgenhoek verspreid verborgen. Binnentrekkende troepen zagen bij het bereiken van deze plaats in dat het hier wel eens om een mijnenveld kon gaan, gezien de lokkertjes die hier her en der verspreid lagen. Zoals potten en pannen, een paar fietsen en ook een militaire baret welke mogelijk voor de Britten als souvenir gewild verzamelobject was.
Deze truc werkte niet en het gehele bosgebied van de Marisbergen werd met linten afgezet en als verboden terrein bestempeld. Het was te gevaarlijk vanwege de mijnen en boobytraps die er lagen.
Dat de geallieerden niet overal tegelijk de mijnen en ander wapentuig onschadelijk konden maken lag natuurlijk voor de hand en zo duurde het tot zaterdag 15 december 1944, dus vier weken na de bevrijding. Op deze dag zouden enkele leden van de familie Steeghs naar hun grond gaan welke achter het bos aan de westzijde van dit mijnenveld lag, om werkzaamheden te verrichtten.
Jarenlang had men hiervoor de kortste weg genomen. Gewoon recht toe midden door het bos, maar nadat het gebied door linten was afgezet en als gevaarlijk gebied was bestempeld maakte men gebruik van de weg achterom, dus via de Helenaveenseweg – Belgenhoek (zie situatiekaartje).
Ook bij de familie Steeghs was het verhaal van de fietsen op het mijnenveld bekend en werd wegens gevaar voor de mijnen angstvallig vermeden. Direct na de middag op deze 15de december vertrokken Piet, de jongste zoon, en Bertus naar de Belgenhoek. Terwijl z’n oudere broer Bertus het paard inspande ging Piet alvast vooruit om op de akker in de Belgenhoek te gaan helpen. Tegen alle waarschuwingen in ging Piet binnendoor om te kijken of er iets van zijn gading door de Duitsers was achtergelaten. Het noodlot sloeg toe. Piet trapte op een mijn en z’n been werd door de klap verminkt. Hevig bloedend en krimpend van de pijn schreeuwde hij om hulp, dat op diverse plaatsen rondom het bos werd gehoord.
Zo ook door zijn oudere broer Bertus die reeds met paard en kar onderweg was bij de familie Toontje van Mullekom aan de Helenaveenseweg. Hij riep tegen de daar aanwezigen: Als dat m’n broer Piet maar niet is. Martien Bellemakers uit Neerkant en Sjaak Vervuurt sprongen op de kar bij Bertus om mee hulp te gaan verlenen. Zij werden nageroepen door Duif van Mullekom. “Ga er in godsnaam niet naar toe, veel te gevaarlijk, waarop Martien Bellemakers weer van de kar sprong en aan het werk ging. Jac Vervuurt beloofde Duif van Mullekom niet van de kar te gaan. Zo voeren Bertus en Jac naar de plek des onheils. Daar troffen zij de zwaargewonde Piet aan. Vanaf dit moment komt alles in een stroomversnelling. De knal van de mijn en het daarop volgende hulpgeroep had namelijk meer mensen bereikt en er was van alle kanten hulp onderweg.
Onder andere Hubert Houben kwam te voet aangelopen en trok zich niets aan van de waarschuwingen om te blijven waar hij was en niet dichterbij te komen. Hij ging naar Piet toe om hem bij het mijnenveld weg te dragen. Bij Piet aangekomen stapte hij ook op een mijn. Met een enorme knal sloeg zijn ………been eraf. Nu lagen er twee slachtoffers in het mijnenveld.
Bertus Steeghs en Sjaak Vervuurt keerden paard en kar en zette achter uit richting Piet en Houben. Bij Piet aangekomen lukte het hen warempel om hem op de kar te trekken zonder er zelf van af te stappen. Daarna reden ze terug vanwaar ze vandaan gekomen waren. Opnieuw sloeg het noodlot toe. Het paard van Bertus stapte op een mijn en werd gewond aan een been. Het dier begon te springen en wild op en neer te slaan. Er was geen houden meer aan. Er werd besloten dat Sjaak Vervuurt van de kar zou stappen en de sleger, dit is een aanspansel wat voor het paard door steekt los te maken, waardoor het dier zich uit de kar zou kunnen bevrijden. Sjaak zou door het karrenspoor lopen omdat daar theoretisch geen mijnen zouden liggen. Bij het losmaken van de sleger bleek precies op de rand van het karrenspoor toch een mijn te liggen, de redders waren er bij het achteruit rijden rakelings langs gereden. De mijn werd door Sjaak Vervuurt geraakt waardoor deze explodeerde. Door de slag werd Sjaak teruggeworpen en viel op zijn zij op een tweede mijn. De gevolgen waren verschrikkelijk. Sjaak, 24 jaar oud, was op slag dood. Naast het verminkte lichaam van Sjaak stond de kar waarop twee zwaargewonden en Bertus en een paard ervoor dat gewond was. Ze konden geen kant meer op. Omstanders durfden vanwege het gevaar van zovele mijnen niet meer naderbij te komen.
Toen kwam er hulp van Hein van Mullekom. Hij had z’n paard ingespannen en reed naar het mijnenveld. Keerde paard en kar en zittend op zijn knieën manoeuvreerde hij zijn kar terug langs de kar van Bertus welke nog steeds door het gewonde paard heen en weer geslingerd werd. Het lukte Hein en Bertus de twee gewonden over te laden op z’n kar. Ook Bertus kon via deze kar het mijnenveld verlaten. Hein gaf z’n het bevel aan te rijden. Een van de grote spaakwielen van z’n Brabantse kar reed op een mijn. De houten spaken vlogen voor een deel uit het wiel, maar het lukte toch uit het mijnenveld weg te komen. Met een omweg reden ze door de wegbermen en akkerland om de gewonden het schokken en stoten door het kapot geslagen wiel zoveel mogelijk te voorkomen. Zij reden naar de boerderij van Houben. Daar was inmiddels in allerijl verpleegkundigen opgetrommeld. Rode Kruis wagens van het Britse leger brachten hen naar het ziekenhuis in Weert, dat ook in bevrijd gebied lag.
Intussen was het levenloze lichaam van Sjaak Vervuurt, het gewonde paard van Steeghs en een kadaver van een hond in de tussentijd ook op een mijn gelopen, op het mijnenveld achtergebleven.
De schok van dit ongeluk dompelde de betroffen families en de gehele omgeving in rouw, verbittering en machteloze woede. Het werd voor de familie Vervuurt een ondragelijke nacht daar het lichaam van Sjaak niet geborgen kon worden. Pas de dag erop zou Engelse hulp ter plekke zijn om met detectors het mijnenveld te ruimen.

Zondag 17 december 1944 ’s morgens om 9 uur begonnen de Britten met het afzoeken en onschadelijk maken van de mijnen. Ook het paard, dat nog steeds op de grond lag en met een been slaande bewegingen maakte, werd met een paar welgemikte schoten door de Britten uit zijn lijden verlost.
Het levenloze lichaam van Sjaak Vervuurt dat de gehele nacht in het mijnenveld was blijven liggen werd door de Britten op een brancard gelegd en afgevoerd.
Het zoeken ging door tot het invallen van de duisternis de Britten noopte verder zoeken te staken. Het reeds afgezochte deel werd met lint afgezet. De soldaat die dit deed knoopte eerst het lint aan een boom links van de weg, stak vervolgens de weg over en liep in de richting van een boom aan de overzijde. Hij bukte zich, maakte nog een pas en trapte op een mijn die over het hoofd was gezien. Een been van de soldaat werd afgerukt. Andere soldaten snelden toe om hulp te bieden. Weer ontplofte een mijn, die beide benen van een soldaat verwoestte.
In twee dagen twee drama’s op Marisbergen. Een dode en 4 zwaargewonden was de trieste balans van 15 en 16 december en nog was de ellende op deze onheilsplek nog niet afgelopen. Twee verdere slachtoffers zouden volgen.
Weken later op zondag 13 januari 1945 ging Willem Driessen, een jongeman uit Grashoek, ook nog eens op de plek des onheils rondsnuffelen of er nog iets van zijn gading te vinden was. De mijnen op de weg en in de berm waren door de Britten geruimd, maar in de bosrand lagen er nog enkele verborgen. Een van deze mijnen ontplofte toen Willem er met z’n voet op ging staan. Ook hij verloor een been. Hulp kwam toen niet opdagen omdat op deze zondagmiddag niemand de knal hoorde. Met de moed der wanhoop is Willem op een zij richting bewoonde wereld gekropen en het lukte hem de zandweg van Houben naar van Mullekom te bereiken, waar bij toeval Niek Houben passeerde, die het gekreun van Willem opmerkte en alarm sloeg.
Dat de technische middelen en de tijd de Engelsen ontbraken, bleek uit het feit dat Ampers Naad ziene Jan, Jan Gielens, destijds jachtopziener te Grashoek, nota bene één jaar na dato, 1 februari 1946 tijdens zijn rondgang door de bossen te Grashoek op een mijn trapte die enkele tientallen meters verderop in het jonge dennenbos verstopt was en zo zwaar gewond raakte dat hij de nacht erop aan zijn verwondingen bezweek. Naar men aannam betrof het hier een zwaarder type mijn las bij de andere slachtoffers.
Nog een saillant detail was hier dat een week voor dit ongeval een drijfjacht had plaats gevonden welke de jagers door dit stuk bos voerde in de veronderstelling dat er niets meer lag. Bij toeval is iedereen langs deze en eventueel nog meerdere verborgen mijnen gelopen.
Tot tientallen jaren na de oorlog, ja zelfs tot op heden ten dage zijn er nog mensen in Grashoek die voor geen goud hier door het inmiddels oudere dennenbos durven te lopen, uit angst dat er nog steeds mijnen aanwezig kunnen zijn.

Dit verhaal is opgemaakt uit de monden van nog levende getuigen en de heemkundevereniging. Misschien dat een plaquette met de namen van de slachtoffers en een beknopte tekst wandelaars en andere passanten er aan kan doen herinneren wat zich op deze plek heeft afgespeeld. Dit verschrikkelijk gebeuren illustreert nog eens welk een gemeen wapen mijnen zijn. Heden ten dage worden duizenden mensen elk jaar gedood of verminkt over de gehele wereld, vaak nadat een oorlog al jaren voorbij is. Ook in het dorp Grashoek was met de bevrijding nog geen eind gekomen aan het lijden. Een hoge tol moest betaald worden voor de vrijheid. Deze plek in de bossen van Marisbergen getuigt daar van. Er staat een veldkruis op de plaats waar het drama zich afspeelde.

De vertellers zijn: Niek Houben, zoon van Hubert; Rein Vervuurt, broer van Sjaak; Wim van Mullekom, getuige waar Bertus Steeghs alarm sloeg.

Terug naar index

Mathieu Smedts (1913-1996)

Peter Mathijs (Mathieu) Smedts werd op 26 mei 1913 in Grashoek geboren in een boerengezin. Hij studeerde aan de Katholieke Universiteit Nijmegen en daarna in Londen. In Londen was hij correspondent voor diverse Limburgse bladen. Na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog raakte hij betrokken bij het verzet, in het bijzonder het smokkelen van ondergedoken joden en geallieerde piloten. In november 1942 werd Smedts in België opgepakt en ter dood veroordeeld. Het vonnis werd niet uitgevoerd en Smedts werd uiteindelijk door de Russen bevrijd. Na de bevrijding ging Smedts voor De Volkskrant werken, o.a. in Londen. Na het Bisschoppelijk Mandement van 1954 brak Smedts met De Volkskrant en werd hij hoofdredacteur van het toen officieel socialistische Vrij Nederland. Smedts, ondanks dat hij afkomstig was uit het voornamelijk katholieke Grashoek, stond op gespannen voet met de katholieke kerk. Hiervan legde hij getuigenis af in het boek `een weerbarstig Katholiek'. In 1968 kreeg Smedts het bij Vrij Nederland aan de stok met de aanstormende jonge generatie journalisten. In 1969 legde Smedts zijn hoofdredacteurschap neer maar hij bleef tot 1978 onder het pseudoniem `Janus' de rubriek `Uit het zakboek van een twijfelaar' verzorgen. In de jaren zeventig stortte Smedts zich nog in een polemiek over het verzet in De Peel, waarbij hij in het boek `Waarheid en leugen in het verzet' vooral het vermeende verzetsverleden van Bert Poels aanviel.

Mathieu Smedts over Grashoek:

"Het was me het dorpje wel! Zeven boerderijtjes langs een zandweg, waarlangs vele karretjes hadden gereden, aan drie kanten uitgestrekte bossen, aan de vierde kant naar het zuiden het veld, en daarachter weer het bos."

Verder schrijft hij:
"Tot 1914 was er geen school in de buurt geweest en de kinderen gingen naar Helden-Panningen, één tot anderhalf uur ver. Van schoolbezoek kwam dan ook niet veel terecht. Kinderen werden vroeg aan het werk gezet, zelfs aan het turfgraven. Rond 1925, vele jaren later dus, had ik schoolkameraden die op hun tiende jaar al letterlijk krom waren gewerkt. Toen in 1913 de plannen voor de nieuwe school werden besproken, was er weinig belangstelling voor onder de bevolking. Een kerk wilden de mensen wel hebben, daar moesten ze naar toe vanwege het hellevuur, maar zolang er geen school was op een afstand van minder dan vijf kilometer, kon je je kinderen thuis houden en turf later graven op een afstand van tien. Het wijze gezag zette echter door. De school werd zo ongeveer midden tussen de hierboven genoemde gehuchten gebouwd, min of meer op gelijke afstand. Er was een lege plek in de bossen, waar nog geen enkel huis stond. Daar kwam de school. Zo ontstond Grashoek."

Terug naar index

RK Kerk

Oprichting Parochie Heilig Hart Grashoek
Gezien de behoefte aan geestelijke begeleiding in de afgelegen gebieden, bevolkt door "ruwe en ongeletterde boeren", is er begin vorige eeuw een "commissie inzake stichting eener parochie te Grashoek" opgericht met als doel, de naam zegt het al, het stichten van een Roomsch Katholieke Parochie met een bijbehorende kerk. In 1918 was het dan zover. Hoewel er al eerder inwoners waren en al meerdere buurtschappen wordt dit jaar gezien als officieel stichtingsjaar van Grashoek.
Bij besluit van 16 december 1918 heeft Bisschop Schrijnen van Roermond de parochie onder de titel "Succuviale Kerk van het Allerheiligst Hart van Jezus" te Grashoek gesticht. Hierop hebben de eerdergenoemde buurtschappen en gehuchten op ongeveer gelijke geografische afstand van elkaar samen een kerk gebouwd. De eerste pastoor was Pastoor H.J. Vullinghs. De pastoor die in 1945 vanwege zijn verzetsactiviteiten werd gedeporteerd naar Bergen-Belsen en daar enkele weken later stierf.

Het kerkgebouw
Sinds 1918 stond te Grashoek een eenvoudige stenen noodkerk, die toegewijd werd aan het H. Hart van Jezus. De inwoners van Grashoek zamelden geld in om een definitief kerkgebouw op te richten. Jos en Pierre Cuypers jr. maakten daartoe de plannen. De tweede wereldoorlog oorlog zette echter een streep door de rekening.

Na de Tweede Wereldoorlog ging pastoor Van der Sterren onverdroten door met het inzamelen van geld. Er was al een aardige som bijeengebracht voor de oorlog, maar dat was niet meer toereikend. Een rondgang door het dorp bracht 39.000 gulden op. ‘…een staaltje van prachtige offervaardigheid en overtuiging geven de Limburgse katholieken…”, want Grashoek was geen rijke parochie. ‘Het waren kleine boeren en arbeiders die dit bedrag bij elkaar brachten’, aldus de Maas en Roerbode. 
Het plan van Cuypers was helaas niet uitvoerbaar gezien de hoge kosten die eraan verbonden waren. 
Er werd besloten een prijsvraag uit te schrijven onder jonge architecten. Het programma van eisen schreef voor dat er 550 zitplaatsen moesten zijn van 90 bij 50 cm. De kerk diende georiënteerd te worden en de bouwkosten mochten inclusief sacristie en toren (tot negen meter) de 185.000 gulden niet overstijgen. De plannen moesten zonder enig herkenningsteken voor 1 oktober 1952 ingeleverd worden bij het bisschoppelijk paleis in de Paredisstraat te Roermond. De tekeningen (een plattegrond, vier gevels, een langdoorsnede en twee dwarsdoorsneden) dienden schaal 1: 100 te zijn. Perspectieftekeningen en maquettes werden niet op prijs gesteld. De vijf bovengenoemde architecten leverden allen een ontwerp in, die, volgens het Dagblad voor Noord-Limburg, allemaal goedgekeurd werden. Er was zelfs een ‘fantastisch plan’ bij, dat men echter niet durfde uit te voeren. Helaas is niet bekend van wie dit plan was of wat het behelsde. 
De keuze viel uiteindelijk op architect Schwencke. De eerste steen werd gelegd op 25 oktober 1953. De kerk werd op 9 oktober 1954 in gebruik genomen. 

Terug naar index